Kwékfestijn  Krakers

 

INSTRUMENTEN

Een ongeschreven regel voor een succesnummer: verwerk er blaasinstrumenten in, zoals trompetten en trombones. Maar maak het niet al te moeilijk, raadt Ad Kraamer aan. "De nummers moeten gespeeld kunnen worden door fanfares, amateurs dus. Zij moeten er niet al te veel over na hoeven denken tijdens het spelen. Het beste is daarom om de muziek in toonsoort 'bes' te schrijven." In een echte carnavalskraker zal je dan ook geen elektronische muziek horen. Die kunnen amateurs nu eenmaal moeilijk spelen. "Van gitaren wordt weinig tot geen gebruik gemaakt", zegt Ton van Stiphout. "Maar een accordeon is bijvoorbeeld wel mogelijk".

DE SLEUTELS NAAR EEN KRAKER

Het was niet de bedoeling om een carnavalsnummer op de markt te brengen. Toch werd 'Het leven is goed in het Brabantse land' een veel gedraaide hit tijdens het volksfeest. "Soms ontpoppen reguliere nummers die rond carnaval uitgebracht worden zich tot carnavalskrakers", weet producer Ad Kraamer. Hij is bekend van hits als 'Paard in de gang' en 'Zak eens lekker door'. Het verschil met een traditionele kraker is dan ook niet groot. "Het is een bepaald gevoel dat een nummer opwekt, dat het geschikt maakt voor carnaval", weet Wim van Nimwegen. Samen met broer Danny scoorde hij een dikke hit met 'Hčndjes de lucht in'. Ton van Stiphout, minister van het Kwčkfestijn in Oeteldonk, onderstreept dat: "Het is een bepaalde klank en tempo waar je aan gewend raakt".

RITME

Op een carnavalsnummer moet je kunnen hossen en deinen. Voor eerst genoemde is een maatsoort van zes-achtste gangbaar, bij die tweede een twee- of driekwartsmaat. In veel Oeteldonkse nummers zit de zogenoemde 'Bossche dreun' verwerkt. Dat is een zes-achtste maat met zes trompetten en vier trombones. Herkenbaar voor elke Bosschenaar, stelt Van Nimwegen. De melodie moet goed mee te neuriën zijn. Dat is een teken dat hij blijft hangen. "Maar het belangrijkste is dat een nummer gezelligheid uitstraalt." Een smartlap of een reggae nummer kan dan ook gerust een carnavalsnummer worden genoemd, weet Ton van Stiphout uit ervaring bij het Kwčkfestijn.

TEKST

De tekst moet simpel zijn en een pakkende kreet bevatten. Je moet het als het ware tegen iemand aan kunnen zingen. Als er tegen je wordt gezongen 'Oh wat ben je mooi', dan komt dat direct binnen. Een tekst mag dan ook best ludiek zijn. Maar sla daar niet in door, waarschuwt Ton van Stiphout: "Vermijd dubbelzinnigheden. Dat gedoe van vorig jaar met een 'zachte g en een hard l' heeft niets met carnaval te maken." Volgens Wim van Nimwegen is het ook een gevoelskwestie: " Wij hadden eerst de tekst 'en nou gaan die handjes de lucht in'. Maar dat moest dwingender, vonden wij. Zo kwamen we op 'nou die hčndjes de lucht in'."

De vorm van een carnavalsnummer verschilt niet veel van dat van andere nummers. Coupletten en refreinen wisselen elkaar af. De kracht van een echte kraker zit echter in de herhaling. “Een kreet die je bedenkt, moet drie of veer keer terug komen in het refrein”, zegt Wim van Nimwegen. Het meest effectief werkt dat bij een zogenoemd ‘doe-liedje’, een nummer waarbij een beweging hoort, zoals